Nu de donkere dagen weer begonnen zijn, is het aanhebben van je verlichting zeer belangrijk. En of je nou in de auto zit of op de fiets, zien en gezien worden is van levensbelang om veilig van A naar B te gaan.

Maar zo makkelijk als het is op de fiets, zo lastig kan het zijn in de auto. Want welke verlichting moet nou eigenlijk aanzetten? Op welk moment mag je de ene verlichting wel aanzetten en welke juist niet?

Zoals altijd ga ik je vragen weer beantwoorden in dit blog.

Welke soorten verlichting zijn er?

Voor je weet welke verlichting je moet/mag aan mag zetten, is het handig om te weten welk soort verlichting je op de auto kunt vinden. Als je al wat rijlessen of je autotheorie hebt gehad, zal dit geen verrassingen voor je opleveren.

Dit zijn de verschillende soorten verlichting:

  • Groot licht
  • Dimlicht
  • Mistlicht voorzijde
  • Mistlicht achterzijde
  • Stadslicht
  • Achterlicht

Naast de verlichting die je op je auto moet hebben, zijn er ook bijzondere lichten. Deze lichten zitten dus niet standaard op elke auto:

  • Dagrijlicht
  • Bermlicht
  • Richtlicht
  • Bochtverlichting
  • Hoeklicht
  • Manoeuvreerlicht
  • Staaklicht
  • Markeringslicht

In dit blog ga ik verder niet in op de bijzondere verlichting.

Welke verlichting gebruik je tijdens het autorijden?

Nu je weet welke soorten verlichting er zijn, gaan we kijken welke je mag of moet gebruiken tijdens het autorijden.

Zoals je in de inleiding al hebt kunnen lezen, is het enorm belangrijk om andere weggebruikers en situaties te zien. Daarnaast is het net zo belangrijk om gezien te worden. Maar welke lichten moet je daarvoor aanzetten en op welke momenten mag je deze aanzetten?

1. Groot licht

Verlichting

Als je het groot licht aanzet, wordt de weg voor de auto over een grote afstand verlicht. Omdat het voeren van groot licht verblindend is, is het verboden om groot licht in de volgende situaties aan te zetten:

  • Overdag
  • Bij het tegenkomen van een andere weggebruiker
  • Bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig

Je mag wel groot licht blijven voeren bij:

  • Het op korte afstand volgen van een ruiter
  • Het op korte afstand volgen van een voetganger
  • Het op korte afstand volgen van een geleider van en rij- of trekdier

2. Dimlicht

Als bestuurder van een auto ben je verplicht ’s nachts dimlicht te voeren en bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd.

3. Mistlicht voorzijde

Het mistlicht zet je aan voor een betere verlichting van de weg bij mist of bij vergelijkbare omstandigheden, zoals sneeuwval of zware regen. Hierbij moet het zicht minder zijn dan 200 meter.

4. Mistlicht achterzijde

Verlichting

Het mistlicht achter zorgt ervoor dat de auto bij dichte mist beter zichtbaar wordt. Deze mag echter alleen aangezet worden bij zicht minder dan 50 meter en alleen bij mist en sneeuw.

5. Stadslicht

Verlichting

Stadslicht geeft weinig licht, maar maakt wel de aanwezigheid van de auto kenbaar. Je mag alleen stadslicht aanzetten als:

  • Bij dag (indien het zicht ernstig wordt belemmerd) en bij nacht buiten de bebouwde kom stilstaat op de rijbaan
  • Bij dag (indien het zicht ernstig wordt belemmerd) en bij nacht op parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens gelegen langs autosnelwegen en autowegen

6. Achterlicht

Verlichting

Achterlicht is licht dat vanaf de achterzijde gezien de aanwezigheid van je voertuig kenbaar maakt en tevens ook de breedte.

Het achterlicht moet altijd aanstaan in combinatie met:

  • Groot licht
  • Dimlicht
  • Stadslicht
  • Mistlicht

Daarnaast dient ook de verlichting van de achterkentekenplaat ook altijd te branden.

Ik hoop dat het voeren van verlichting op de auto nu een stuk duidelijker voor je is geworden.

Heb je nog vragen of opmerkingen? Laat het hieronder weten in de reacties

Geplaatst in: